• Oriënteren op de richting die je op wilt. Je bedenkt waar je goed in bent, wat je leuk vindt en belangrijk. Hier kom je achter door te spreken met mensen die jou goed kennen zoals familie, vrienden. In deze fase ontstaat vaak een langere lijst met opleidingen die mogelijk interessant zijn.
  • Verkennen: wat kun je waar doen? Je vergelijkt verschillende opleidingen aan de verschillende onderwijsinstellingen. Je gaat actief op pad: je bezoekt open dagen, spreekt met studenten of mensen die de studie hebben afgerond.
  • Verdiepen: je onderzoekt of de opleiding echt iets voor jou is. Dit doe je door te proefstuderen en/of mee te lopen.